In het kort
- Voor drukvaten: de hoogste van 1,25 × de druk die overeenkomt met de maximale belasting in bedrijf (gelet op PS en TS) en 1,43 × PS — bijlage I punt 7.4, letterlijk en zonder spanningsverhouding.
- De gangbare invulling van de eerste term, 1,25 × PS × fproef/fontwerp, komt uit de norm (voor onbevuurde vaten EN 13445-5 §10.2.3.3.1). De module etiketteert per stap of het getal uit de wet of uit een norm komt.
- Bij omgevingstemperatuur is 1,43 × PS vrijwel altijd maatgevend; de temperatuurterm neemt het over zodra de spanningsverhouding boven 1,144 uitkomt (= 1,43 gedeeld door 1,25).
- Daar bovenop komen de statische vloeistofkolom, de beproevingstoestand als eigen belastinggeval, en de mogelijkheid van een andere erkende proef uit punt 3.2.2.
Uw gegevens
Alleen PS is verplicht. Vult u de materiaalgegevens niet in, dan krijgt u de ondergrens van 1,43 × PS.
Materiaalgegevens — optioneel, maar nodig voor de temperatuurterm van punt 7.4
Twee tot drie pagina's met uw invoer, beide termen naast elkaar, de spanningsverhouding tegen het kantelpunt, de statische kolom, de volledige onderbouwing met de normclausules en de praktijkpunten voor de uitvoering. Gratis, geen account.
Uw technische invoer wordt niet opgeslagen. Uw adres gebruiken wij om u de pdf te sturen en maximaal drie korte mails over veelgemaakte fouten bij drukapparatuur; afmelden kan in elke mail.
Waar dit getal vandaan komt
Bijlage I punt 7.4 schrijft voor drukvaten voor dat de hydrostatische proefdruk van punt 3.2.2 ten minste gelijk is aan de hoogste van twee waarden: de druk die overeenkomt met de maximale belasting waaraan de apparatuur in bedrijf kan worden onderworpen, gelet op de maximaal toelaatbare druk en de maximaal toelaatbare temperatuur, vermenigvuldigd met 1,25 — en de maximaal toelaatbare druk vermenigvuldigd met 1,43.
Let op wat er in het eerste streepje wél en niet staat. De richtlijn noemt géén spanningsverhouding; zij zegt alleen “gelet op de maximaal toelaatbare druk en de maximaal toelaatbare temperatuur”. De invulling van die zinsnede als 1,25 × PS × fproef/fontwerp komt uit de norm — voor onbevuurde drukvaten EN 13445-5 §10.2.3.3.1 — en niet uit punt 7.4. Deze module rekent daarom met een bronetiket per stap: wet voor 1,43 × PS, norm voor de temperatuurterm. Punt 7.1.2 hoort bij het ontwerp: het legt per materiaalsoort de bovengrens van de toelaatbare algemene membraanspanning vast en maakt geen deel uit van de formule van punt 7.4; de module gebruikt die grenzen om uw ingevoerde spanningen te toetsen.
Wanneer wordt welke term maatgevend?
Zodra de verhouding fproef/fontwerp groter is dan 1,144 (dat is 1,43 gedeeld door 1,25) wint de temperatuurterm. Blijft de verhouding daaronder, dan geldt altijd 1,43 × PS. Praktisch: bij een vat dat op omgevingstemperatuur ontwerpt, is 1,43 × PS vrijwel altijd het antwoord; bij een vat dat warm draait kantelt het.
Geldt dit ook voor leidingen, ketels en appendages?
Punt 7.4 opent met "voor drukvaten"; punt 3.2.2 trekt de waarde door naar alle drukapparatuur "indien dat passend is". Per type, met de eisen die de norm er zelf bij stelt:
- Drukvaten — punt 7.4 rechtstreeks. EN 13445-5:2021+A1:2024 §10.2.3.3.1 geeft dezelfde twee termen, maar rekent met de ontwerpdruk Pd (hoger dan PS → hogere uitkomst dan deze module), neemt de kleinste spanningsverhouding over de drukdragende hoofdonderdelen, en laat de 1,25 oplopen tot 2,2 bij eenzijdig gelaste bepalende naden of testgroep 4.
- Installatieleidingen — EN 13480-5:2017+A1:2019+A2:2021 §9.3.2.2.1 schrijft exact dezelfde twee termen voor; de uitkomst hier is dus de normwaarde. De norm eist wel: de kleinste ftest/f over alle hoofdonderdelen, een spanningsplafond uit EN 13480-3:2017 §5.2.1.2 (ferritisch 95 % ReH), en de vloeistofkolom telt mee zodra die ergens meer dan 5 % toevoegt — deze module rekent dat percentage uit.
- Stoomketels — EN 12952-3:2022 §5.7.4.3 (waterpijp) en EN 12953-3:2016 §5.7.4 (vlampijp): dezelfde twee termen, maar met de kale rekgrensverhouding Rp0,2(20 °C)/Rp0,2(tc) en zónder de plafonds van punt 7.1.2 — bij hogere temperatuur valt de ketelwaarde dus hoger uit dan de vatformule. Waterpijp: laagste verhouding, PS of de hogere berekeningsdruk pc; vlampijp: hoogste verhouding over romp en pijpplaten, altijd pc; uitsluitend geëxpandeerde vlampijpen: dwingend 1,43 × pc.
- Appendages — de productnorm en de opgave van de fabrikant.
De faalmodus is telkens dezelfde: het getal overnemen zonder de bijbehorende normeisen, en er staat een te lage of juist ontoelaatbaar hoge proefdruk in het protocol.
De proef uitvoeren: waar het in de praktijk misgaat
De druk berekenen is het makkelijke deel. Dit is wat een aangemelde instantie of een NL-CBI-inspecteur bij de proef daadwerkelijk ziet.
Manometerkeuze en de 10-tot-2-regel
Kies een bereik van anderhalf tot twee keer de beproevingsdruk. Op de werkvloer controleert u dat met de 10-tot-2-regel: bij de beproevingsdruk hoort de wijzer van een analoge meter tussen de 10-uur- en de 2-uurstand te staan, oftewel tussen 28 % en 72 % van de volle schaal. Onderin is de afleesfout te groot, bovenin ontbreekt marge tegen doorschieten.
De bereikregel is de strengste van de twee: schaaleinde op anderhalf tot twee maal de druk zet de wijzer tussen half twee en 12 uur, en daarmee voldoet u automatisch aan 10-tot-2. Andersom geldt dat niet — 10-tot-2 laat schaaleinden tot ongeveer 3,6 maal de druk toe. Serienummer van de meter hoort in het rapport.
Vier punten waar drukproefrapporten op sneuvelen
- Kalibratieketen — kalibratie binnen twaalf maanden vóór de proef, herleidbaar tot een ISO/IEC 17025-geaccrediteerd laboratorium. Vraag het moedercertificaat van de referentiemanometer erbij; zonder die schakel is de herleidbaarheid niet aantoonbaar.
- Testwater — houd het tussen ongeveer +10 en +50 °C. Bij austenitisch roestvast staal is het chloridegehalte kritisch: demiwater, en na de proef aftappen en drogen, anders riskeert u spanningscorrosie in de lassen die u zojuist hebt goedgekeurd.
- Houdtijd — bijvullen tijdens de houdtijd mag niet; doet u het toch, dan begint de houdtijd opnieuw. Registreer ook de temperatuur, anders kunt u een drukdaling achteraf niet verklaren.
- Bijlagen — een drukproefrapport zonder kalibratiecertificaten en zonder druk-tijdregistratie is in een dossierbeoordeling een lege huls.
Het uitgebreide PED-rapport behandelt de volledige uitvoering — vullen en ontluchten, gefaseerde drukopbouw, veiligheidsafstand en overdrukbeveiliging, de standpijpmethode bij ontwerpdruk 0 bar, en het onderscheid tussen de aangemelde instantie en de NL-CBI bij de hold points — plus een invulbaar drukproefprotocol als bijlage.
Wat telt er nog meer mee bij de proef?
Drie dingen. De statische vloeistofkolom telt op het laagste punt mee bij de proefdruk — vul de hoogte hierboven in, de module rekent hem mee. De beproevingstoestand is een eigen belastinggeval in de sterkteberekening; de constructie moet de proefdruk kunnen dragen. En punt 3.2.2 staat een andere erkende proef toe wanneer de hydrostatische proef schadelijk of niet mogelijk is, mits met aanvullende maatregelen zoals niet-destructief onderzoek.
Hoe betrouwbaar is deze rekenmodule?
De materiaalgrenzen en de factoren 1,25 en 1,43 komen rechtstreeks uit de richtlijntekst (PB L 189 van 27-6-2014, blz. 213–214), niet uit een secundaire bron; de spanningsverhouding en de normspecifieke afwijkingen komen uit de genoemde normen en zijn als zodanig geëtiketteerd. Afgedekt met een testsuite van 47 gevallen: de zes rekengevallen van punt 7.1.2 (vijf materiaalsoorten, austenitisch staal in twee varianten), het kantelpunt 1,144 en een rastercontrole over ruim 4.000 combinaties. Drukwaarden worden naar boven afgerond, want punt 7.4 is een minimum. De uitkomst is indicatief en vervangt geen sterkteberekening of uitspraak van een aangemelde instantie. Voor vaten, leidingen en ketels is zij een ondergrens; voor appendages uitdrukkelijk niet — daar geeft de module een referentiewaarde en zegt dat er ook bij.
Veelgestelde vragen
Wat is de minimale beproevingsdruk onder de PED?
Voor drukvaten: de hoogste van 1,25 maal de druk die overeenkomt met de maximale belasting in bedrijf, gelet op PS en TS, en 1,43 maal de maximaal toelaatbare druk PS (bijlage I punt 7.4). Punt 3.2.2 trekt die waarde door naar andere apparatuur indien dat passend is.
Wanneer is de temperatuurterm maatgevend in plaats van 1,43 × PS?
Zodra de verhouding tussen de toelaatbare spanning bij beproevingstemperatuur en die bij ontwerptemperatuur boven 1,144 uitkomt, dat is 1,43 gedeeld door 1,25. Die verhouding komt uit de norm (EN 13445-5 §10.2.3.3.1 voor onbevuurde vaten); punt 7.4 zegt alleen “gelet op de maximaal toelaatbare druk en de maximaal toelaatbare temperatuur”. Blijft de verhouding daaronder, dan geeft 1,43 × PS altijd de hoogste waarde.
Telt de vloeistofkolom mee in de beproevingsdruk?
Ja. Op het laagste punt van een staand of hoog apparaat telt de statische kolom op bij de druk. Punt 7.4 regelt dat niet; de productnorm en uw procedure doen dat wel — en het overslaan ervan is een veelvoorkomende bevinding bij een bijgewoonde proef. Vul de hoogte in de module in, dan wordt hij meegerekend.
Mag ik pneumatisch beproeven in plaats van hydrostatisch?
Punt 3.2.2 staat een andere erkende proef toe wanneer de hydrostatische proef schadelijk of niet uitvoerbaar is, mits vooraf aanvullende maatregelen zoals niet-destructief onderzoek zijn genomen. Het is de uitzondering, niet de standaard, en het vraagt afstemming met de betrokken instantie.
Is een hogere beproevingsdruk altijd veiliger?
Nee. De beproevingstoestand is een eigen belastinggeval: aangetoond moet worden dat de constructie de proefdruk draagt. De proefdruk verhogen zonder dat belastinggeval na te rekenen kan het apparaat beschadigen dat u juist wilde aantonen.
Wilt u het getal voor úw apparaat?
Het uitgebreide rapport geeft de beproevingsdruk voor uw apparaat met het bronetiket (wet, norm of referentiewaarde), de tekening van de proefopstelling en een invulbaar beproevingsprotocol.
Start de gratis check of bekijk het uitgebreide rapport